zaterdag 10 januari 2009

Ouderen en maatschappelijke inzet

Ouderen en maatschappelijke inzet

Langer werken ouderen 50-69 jaar gaat in geringe mate ten koste van vrijwilligerswerk en mantelzorg
· Nederlanders besteedden in 2000 gemiddeld 2,1 uur per week aan vrijwilligerswerk en informele hulp. Ouderen in de leeftijd van 50-59 jaar besteedden hieraan 2,4 uur per week. Voor de groep van 60-69 jaar kwam dit neer op 3,5 uur per week.
· In 2000 was 43% van de ouderen van 50-69 jaar betrokken bij vrijwilligerswerk, 32% bij informele hulp, 25% (van de ouderen zonder thuiswonende kinderen) bij de zorg voor kleinkinderen en 37% bij politieke activiteiten. 40% van al het vrijwilligerswerk werd door deze ouderen verricht.
· 38% van de ouderen verricht betaald werk en wel gemiddeld 21 (50-59 jarigen) en 6 (60-69 jarigen) uur per week.
· Als 90% van de 50-69-jarigen betaald gaan werken zal dat leiden tot een daling van vrijwilligerswerk en mantelzorg van 3,2 naar 2,3 uur per week. Hun aandeel in het totale vrijwilligerswerk zou dalen van 40% naar 33%.

Dit zijn de belangrijkste conclusies uit de RMO-achtergrondstudie Ouderen en maatschappelijke inzet. De betekenis van toenemende arbeidsparticipatie onder ouderen voor de betrokkenheid van ouderen bij politiek activisme, vrijwilligerswerk, informele hulp en zorg voor kleinkinderen, die op donderdag 23 september jl. is verschenen. De studie is opgesteld door de onderzoekers dr. Koen Breedveld, dr. Mirjam de Klerk en dr. Joep de Hartvan het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), op verzoek van de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO). In de studie wordt aandacht besteed aan de tijdsbesteding van ouderen en de gevolgen van een grotere arbeidsdeelname van ouderen voor vrijwilligerswerk, informele hulp (hulp aan familieleden en vrienden), betrokkenheid bij politieke processen en voor de zorg voor kleinkinderen.

Het onderzoek beperkte zich tot de groep 50-69-jarigen (hier ‘ouderen’ genoemd). Voor het onderzoek zijn secundaire analyses verricht op bestaande data van het SCP en het CBS.

Ouderen (50+) doen meer aan vrijwilligerswerk dan de gemiddelde Nederlander
Als gevolg van de stijgende arbeidsparticipatie is de gemiddelde vrije tijd van 50-59 jarigen gedaald van 52,8 uur per week in 1990 naar 48,8 uur per week in 2000.
Onder 60-69 jarigen daalde de vrije tijd van 60,4 uur per week naar 56,8 uur.

Wat ouderen aan vrije tijd tot hun beschikking hebben, gaat op aan mediagebruik (vooral meer televisiekijken en meer lezen), aan tijd voor het beoefenen van hobby’s en aan het onderhouden van sociale contacten.

De gemiddelde Nederlander van 12 jaar en ouder besteedde in 2000 2,1 uur per week aan vrijwilligerswerk en informele hulp. Ouderen in de leeftijd van 50-59 jaar besteedden hieraan 2,4 uur per week. Voor de groep van 60-69 jaar kwam dit neer op 3,5 uur per week.
In 2000 was 43% van de ouderen van 50-69 jaar betrokken bij vrijwilligerswerk, 32% bij informele hulp, 25% (van de ouderen zonder thuiswonende kinderen) bij de zorg voor kleinkinderen en 37% bij politieke activiteiten. Ouderen verrichten in totaal 40% van al het vrijwilligerswerk in Nederland.

Langer werken ouderen 50-69 jaar gaat in geringe mate ten koste van vrijwilligerswerk en
mantelzorg.

Ouderen die voltijd werken besteden minder tijd aan vrijwilligerswerk en mantelzorg dan ouderen die in deeltijd werken. Ouderen die in deeltijd werken besteden weer minder tijd aan deze maatschappelijke activiteiten dan de ouderen die niet werken. Werkende oudere vrijwilligers en informele helpers besteden minder uren aan deze activiteiten dan niet-werkende oudere vrijwilligers en informele helpers.

Wanneer 50-69 jarigen meer gaan werken, zal de gemiddelde vrijwillige inzet van deze leeftijdsgroep gaan dalen. Om een dergelijk effect te kunnen inschatten is uitgegaan van twee scenario’s. In het eerste stijgt de arbeidsdeelname van 50-69 jarigen van de huidige 38% naar 62%, in het tweede stijgt deze tot 90%. Bij een arbeidsdeelname van 62% daalt de gemiddelde vrijwillige inzet van ouderen van 3,2 naar 2,8 uur per week (–12%). Bij een arbeidsdeelname van 90% is sprake van een daling van 3,2 naar 2,3 uur per week (-29%).

Maatschappelijk betekent dit een daling van 0,1 uur c.q. 0,2 uur per week aan vrijwillige inzet per hoofd van de bevolking (–5% resp. –11%). Om deze daling op waarde te schatten moet ze worden afgezet tegen de veronderstelde positieve effecten van de gestegen arbeidsparticipatie onder ouderen.

RMO-werkdocument 4, Ouderen en maatschappelijke inzet. De betekenis van toenemende arbeidsparticipatie onder ouderen voor de betrokkenheid van ouderen bij politiek activisme, vrijwilligerswerk, informele hulp en zorg voor kleinkinderen , Koen Breedveld, Mirjam de Klerk en Joep de Hart (SCP), Den Haag, RMO, september 2004.
De publicatie is uitsluitend verkrijgbaar bij de RMO en is te vinden op de website van de RMO www.adviesorgaan-rmo.nl en die van het SCP www.scp.nl

Voor nadere informatie kunt u zich wenden tot mw.dr M. Mootz, RMO-projectleider, 070-340.6080.
Bekijk publicatie

© SCP alle rechten voorbehouden. Laatst gewijzigd 10/01/2007. www.scp.nl/publicaties/persberichten/9077758046.shtml

vrijdag 15 augustus 2008

'Medewerkers thuiszorg staan bloot aan gif'

'Medewerkers thuiszorg staan bloot aan gif'
ANP
gepubliceerd op 15 augustus 2008 20:08, bijgewerkt op 20:10

HILVERSUM - Medewerkers van thuiszorginstellingen worden te veel blootgesteld aan giftige stoffen tijdens hun werk. De beroepsvereniging van Verplegenden en Verzorgenden V & VN heeft hierover vrijdag geklaagd tijdens een uitzending van RTL Nieuws.
Volgens de organisatie hebben medewerkers door tijdgebrek geen gelegenheid om zich goed te beschermen tegen gevaarlijke stoffen die, bijvoorbeeld, kankerpatiënten bij zich dragen.
De medewerkers zouden via de ontlasting of het wondvocht van cliënten in aanraking kunnen komen met bijvoorbeeld stoffen die bij chemokuren worden gebruikt. De medewerkers, veelal vrouwen, zouden hierdoor minder vruchtbaar kunnen worden of zelf een grotere kans lopen op kanker.
De V & VN wil meer geld zodat de thuiszorgmedewerkers zich beter kunnen beschermen tijdens hun werk.

zaterdag 26 juli 2008

Wiegel: Doorwerken tot 70 jaar prima idee

VVD-coryfee en oud-minister Hans Wiegel (67) vindt de oproep van minister Piet Hein Donner van Sociale Zaken om de pensioengerechtigde leeftijd op te trekken naar 70 jaar, een prima idee.
Wiegel vindt doorwerken tot 70e prima idee
‘De commissie-Bakker heeft onlangs het kabinet voorgesteld vanaf 2016 de aow-leeftijd met één maand per jaar te verhogen tot 67 jaar in 2040. Dat is natuurlijk slappe hap. Donner is echter een verstandige man. Die ziet in dat door de kosten van de vergrijzing de leeftijd sneller omhoog moet,’ aldus Wiegel in De Telegraaf.

CaoDe VVD' er kan zich wel voorstellen dat werken na het 65e jaar niet voor iedereen is weggelegd.
‘Als je veertig jaar of langer zwaar fysiek werk hebt verricht, zul je veelal uitkijken naar je welverdiende pensioen.’ Wiegel vindt dat daar rekening mee kan worden gehouden in de cao’s die werknemers en werkgevers afsluiten.
De oud-minister begrijpt niet dat vooral progressieve politici zo afwijzend op Donner reageren. 'Ze denken misschien dat hun achterban faliekant tegen is, maar daar kunnen ze zich wel eens in vergissen.'

Vergrijzing
Wiegel heeft zelf nog verschillende functies onder meer als voorzitter van de Zorgverzekeraars Nederland, president-commissaris bij De Meeuw en lid van de raad van advies van Deloitte & Touche.

Vorige week stelde minister Donner voor de pensioenleeftijd op te rekken naar 70 jaar om zo de kosten van vergrijzing op te vangen.

Lees ook het Elsevier-commentaar
Pensioenleeftijd naar 70 jaar? Prima voorstel!
Door Anna Dijkman

bron elsevier

zaterdag 12 juli 2008

MEER OUDEREN AAN HET WERK IN NEDERLAND EN EU

In 2006 had 48 procent van de ouderen (55 tot 65 jaar) in Nederland werk.
Dat is meer dan in 2000, toen 38 procent van de ouderen werkte.
Gemiddeld steeg de arbeidsparticipatie van ouderen in de EU-27 van 37 procent in 2000 tot 44 procent in 2006.

Verhoging van de arbeidsparticipatie van ouderen is een belangrijke doelstelling van de EU. Volgens de Lissabonstrategie moet in de EU de arbeidsparticipatie van ouderen in 2010 tot 50 procent zijn gestegen.

Vooral toename bij vrouwen
In Nederland en in de EU-27 steeg de arbeidsparticipatie van de oudere vrouwen sterker dan van de oudere mannen. Dit heeft te maken met de algemene trend van toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen, die ook bij vijftigers sterk aanwezig is. Daarnaast is de leeftijd waarop mannen en vrouwen de arbeidsmarkt verlaten, gestegen.

Grote verschillen binnen de EU
Zweden had met 70 procent het grootste aandeel werkende ouderen in 2006. Denemarken en het Verenigd Koninkrijk volgen met een aandeel van ongeveer 60 procent. In Polen, België en Italië werkte daarentegen maar ongeveer 30 procent van de ouderen.

Weinig werkende oudere vrouwen in Zuid-Europa
In Nederland ligt zowel de participatie van oudere mannen als die van oudere vrouwen iets boven het EU-gemiddelde. Zweden dankt zijn toppositie ook aan het feit dat daar veel mannen en vrouwen tussen 55 en 65 jaar werkten. Er zijn ook landen waar wel veel oudere mannen, maar slechts weinig oudere vrouwen werken. Voorbeelden zijn Spanje en Griekenland, waar ongeveer 60 procent van de mannen en 28 procent van de vrouwen werkte.
Bron: CBS

zaterdag 28 juni 2008

Kabinet sluit verhoging AOW-leeftijd niet uit

Het kabinet sluit niet uit dat de pensioenleeftijd op termijn verhoogd moet worden.
In zijn reactie op het rapport van de commissie-Bakker noemt het dat ‘welhaast onvermijdelijk’ om ervoor te zorgen dat er in de toekomst voldoende werkenden zijn.
‘Het beleid van het kabinet is erop gericht die onvermijdelijkheid te voorkomen’, voegt het daaraan toe.

Verhoging van de pensioenleeftijd kan echter alleen achterwege blijven als doorwerken tot 65 jaar weer normaal wordt en de overheidsfinanciën op orde zijn.
Het kabinet wijst erop dat in veel andere landen de pensioenleeftijd al is opgetrokken of dat die maatregel overwogen wordt.
De commissie-Bakker, die het kabinet heeft geadviseerd over hoe honderdduizenden mensen extra aan de slag geholpen kunnen worden, stelt voor de pensioenleeftijd vanaf 2016 met een maand per jaar te verhogen.
In 2040 zou die dan op 67 jaar staan.
In een toelichting noemde minister Piet Hein Donner van Sociale Zaken het vrijdag ‘de eerste inzet van het kabinet’ om ervoor te zorgen dat verhoging van de pensioenleeftijd ‘niet nodig zou hoeven te zijn’.
‘Dat is een uitdaging, geen stok achter de deur’, zei hij.
In het rapport-Bakker staat ook dat bedrijven werknemers die ze willen ontslaan aan ander werk moeten helpen.
Ze moeten hen nog een half jaar doorbetalen.
Daar moet tegenover staan dat de duur van de WW wordt ingekort.
Het kabinet reageert voorzichtig positief op dit idee.
Het kondigt aan het nader te zullen uitwerken en in het najaar met voorstellen te zullen komen. Ook zal het er met vakbonden en werkgevers over overleggen.
Het kabinet voegt eraan toe dat ‘geen zekerheden uit beeld mogen verdwijnen voordat nieuwe zekerheden zijn gecreëerd’.
‘We gaan kijken of het kan’, aldus Donner.
Het kabinet neemt verder een aantal voorstellen voor de korte termijn van de commissie-Bakker over.
Het wil vanaf volgend jaar via een fiscale prikkel doorwerken tot het 65e jaar gaan stimuleren. Werkgevers die ouderen in dienst nemen krijgen korting op de sociale premies.
Ook wil het kabinet onderwijs en arbeidsmarkt beter op elkaar afstemmen.
Werklozen met een uitkering die nog kunnen werken, zullen harder achter de broek gezeten worden.In het regeerakkoord is al aangekondigd dat ouderen die niet tot hun 65e doorwerken, een AOW-heffing moeten gaan betalen.
Het kabinet komt in het najaar met nadere voorstellen, aldus Donner. Ook kijkt het kabinet naar mogelijke aanpassingen van de opbouw van het aanvullend pensioen.
De commissie-Bakker werd eind vorig jaar ingesteld toen de regeringscoalitie het niet eens kon worden over een plan van CDA'er Donner om het ontslagrecht te versoepelen.
Volgens Donner was dat nodig om meer mensen aan het werk te krijgen, maar de PvdA was mordicus tegen.
Donner zei vrijdag dat de voorstellen van Bakker om werkloosheid zo veel mogelijk te voorkomen aanpassing van het ontslagrecht minder urgent maken.